Begrippenlijst
Aanvoertemperatuur
Temperatuur van het verwarmingsmedium (meestal water) bij uittrede uit het warmteopwekkingssysteem.
Actieve koeling
Bij deze vorm van koeling wordt de werking van de warmtepomp omgedraaid. De bron(omgeving) wordt afgifte en de afgifte(omgeving) wordt bron. In deze code wordt enkel de functie van natuurlijke koeling behandeld; hierbij wordt de warmtepomp niet ingeschakeld.
Afgifte(systeem)
Het geheel van warmtegebruikers, waaronder ruimteverwarming en warmtapwaterverwarming.
Basisverwarming
Warmtegebruiker, bijvoorbeeld vloerverwarming, geschikt voor het compenseren van het warmteverlies van een vertrek door transmissie of het onderhouden van een constante vloertemperatuur.
Belastingduurkromme
Karakteristiek waarmee wordt weergegeven hoeveel uren, cumulatief per jaar, een bepaald vermogen nodig is.
Bijstook
Warmteopwekker die voor aanvullende verwarming zorgt als de warmtevraag groter is dan de warmte die de warmtepomp alleen kan leveren.
Bivalent systeem
Combinatie van (warmte)opwekkers (bv. warmtepomp + ketel). Met bivalent systeem wordt in deze code van goede praktijk een poly-energetisch bivalent systeem bedoeld, waarbij de opwekkers met verschillende energiebronnen werken (bv. elektrische warmtepomp + gasgestookte ketel).
BOA
Deze term wordt in de code gebruikt als afkorting voor Bron – Opwekking - Afgifte, refererend aan de drie hoofdonderdelen waaruit een warmtepompsysteem is opgebouwd.
Bron
De bron levert de warmte op lage temperatuur die door de warmtepomp op hogere temperatuur wordt gebracht. Als bronnen onderscheiden we o.a. de bodem, grondwater en buitenlucht.
Brontemperatuur
De temperatuur van de bron waarop zij haar warmte beschikbaar stelt.
Bronvermogen
Het vermogen dat de bron kan leveren. Als meer bronvermogen gevraagd wordt dan beschikbaar, zal de brontemperatuur dalen en kan op de lange duur uitputting van de bron optreden. In plaats van bronvermogen wordt soms ook wel de term koelvermogen gebruikt.
Carnotrendement (A)
De verhouding tussen de COP van het werkelijke warmtepompproces en de COPcarnot van het ideale (Carnot)-warmtepompproces tussen twee temperatuurniveaus. Met de term COPcarnot wordt hier bedoeld: COPcarnot = Tcond,uit / (Tcond,uit – Tverd,uit).
Combiwarmtepomp
Een combiwarmtepomp is warmtepomp die warmte levert voor zowel ruimteverwarming als warmtapwaterbereiding.
COP (Coefficient of performance)
COP Verhouding tussen het nuttig geleverde warmtepompvermogen en het daarvoor toegevoerde aandrijfvermogen, inclusief elektromotorverliezen en exclusief vermogen voor hulpapparatuur.
COP op jaarbasis Verhouding tussen de nuttig geleverde warmte en de daarvoor benodigde aandrijfenergie, inclusief eventuele motorverliezen en exclusief energie voor hulpapparatuur, op jaarbasis (ook wel SPF genoemd).
Distributiesysteem
De verbinding tussen de warmtegebruikers en de warmteopwekkers. Het omvat de aanvoer- en retourleidingen tussen de warmtegebruikers en warmteopwekkers en legt de aansluitpunten vast.
Drukexpansievat
Expansievat dat niet in open verbinding staat met de atmosfeer, waarin een gaskussen, al dan niet gescheiden van het verwarmingswater, ten gevolge van de expansie van het verwarmingswater kan worden samengedrukt.
Expansievat
Reservoir voor het opnemen van het door temperatuurverhoging uitzettende volume van het verwarmingswater.
Hoge temperatuur verwarming
Warmwaterverwarmingsinstallatie waarbij de ontwerpaanvoertemperatuur hoger is dan 55°C.
Hoofdverwarming
Warmtegebruiker, bijvoorbeeld vloerverwarming, die de volledige warmtebehoefte in een vertrek dekt.
Hulpapparatuur
Apparatuur die noodzakelijk is om het toestel zijn functie te kunnen laten vervullen. Voor warmtepompen bijvoorbeeld ventilatorenergie bij een verdamper in de buitenlucht of pompenergie om water uit de warmtebron te transporteren. Pompenergie voor het transporteren van warmte of koude door het gebouw valt hier niet onder.
Hulpvermogen
Vermogen van hulpapparatuur die noodzakelijk is om de warmtepomp zijn functie te kunnen laten vervullen (pompvermogen warmtebron, ventilatorvermogen buitenluchtwarmtewisselaar etc.).
Jaarbelastingduurkromme
Zie belastingduurkromme.
Koelbehoefte
De hoeveelheid warmte die de koelinstallatie moet onttrekken ten behoeve van een koelvraag in het gebouw.
Koelvermogen
Andere term voor bronvermogen, die verwijst naar de overeenkomst van de warmtepomp met de koelmachine.
K-peil
Geeft de isolatieklasse weer waar een huis binnen valt. De berekening ervan is vastgelegd in NBN 62-301. Hoe lager de waarde van het K-peil, hoe beter geïsoleerd de woning is.
Lage temperatuur verwarming
Warmwaterverwarmingsinstallatie waarbij de aanvoertemperatuur niet hoger is dan 55°C.
Mechanische ventilatie
Ventilatie die met een of meer ventilator(en) tot stand wordt gebracht.
Minimaal warmtepompvermogen
Het vermogen waarnaar de warmtepomp maximaal kan worden teruggeregeld, voor dat deze uitschakelt.
Monovalent systeem
Enkelvoudige (warmte)opwekker (bv. warmtepomp) die in de (warmte)behoefte voorziet.
Mono-energetisch systeem
Warmteopwekkingssysteem waarbij de verschillende opwekkers op dezelfde wijze gevoed worden, bv. elektrische warmtepomp en elektrische bijstook. In de code wordt met de term mono-energetiscch systeem steeds deze combinatie van elektrische warmtepomp en elektrische bijstook bedoeld.
Natuurlijke koeling
Bij deze vorm van koeling gebeurt de koeling enkel door het temperatuursverschil van de te koelen ruimte met de bron; de warmtepomp zelf wordt niet ingeschakeld. Het energiegebruik beperkt zich tot het verbruik van de circulatiepompen.
Natuurlijke ventilatie
Ventilatie via aangepaste voorzieningen in een uitwendige scheidingsconstructie die tot stand komt door invloed van wind en/of temperatuurverschillen tussen de lucht buiten en de lucht binnen.
Nominaal vermogen
Aan de centrale verwarming afgegeven vermogen van de opwekker, volgens opgave van de fabrikant/leverancier.
Nominale belasting
Belasting waarvoor een warmteopwekker volgens opgave van de fabrikant is bestemd.
Ontwerpwarmtepompvermogen
Het warmtepompvermogen onder ontwerpcondities van de warmtepomp
Opwarmtijd
Tijd benodigd om een ontwerpbinnentemperatuur na een periode van temperatuurverlaging op de gewenste waarde te brengen inclusief de vertragingstijd ten gevolge van de warmtecapaciteit van de installatie.
Opwarmtoeslag/opwarmvermogen
Vermogen waarmee de som van het transmissie- en ventilatiewarmteverlies moet worden vermeerderd om aan de gewenste opwarmtijd te voldoen.
Opwekking(ssysteem)
Het deel dat de schakel vormt tussen de bron en de afgifte en dat onder meer de warmtepomp en de bijstook bevat. Hier wordt de warmte opgewekt, of de koude bij een koelfunctie.
Parallelschakeling
Verbinding tussen warmtegebruikers en warmteopwekkers, waarbij de warmtegebruikers (nagenoeg) dezelfde aanvoertemperatuur ontvangen en de warmteopwekkers (nagenoeg) dezelfde retourtemperatuur.
Pendelen
Het niet of onvoldoende uitdempen van de regeling na een regelactie. Hierdoor kan een toestel onnodig vaak aan- en uitspringen. Dit heeft meestal een negatief effect op de werking.
PER (primary energy ratio)
PER
Verhouding tussen het warmtepompvermogen en het daarvoor benodigde aandrijfvermogen,
herleid naar primair vermogen, exclusief vermogen voor hulpapparatuur.
PER*
Idem als PER, echter inclusief vermogen voor hulpapparatuur, herleid naar
primaire energie. Ook wel aangeduid met de term PERsysteem.
PER op jaarbasis
Verhouding tussen de nuttig geleverde warmte (inclusief motorwarmte bij
GMWP) en de daarvoor benodigde aandrijfenergie, herleid naar primaire energie,
exclusief hulpenergie, op jaarbasis.
Primaire energie
Energie, herleid naar de hoeveelheid fossiele brandstof die hiervoor nodig is.
Radiator
Warmtegebruiker waarbij warmte zowel convectief als door straling aan een ruimte wordt afgegeven.
Rendement
Verhouding tussen nuttig geleverde energie en toegevoerde energie.
Retourtemperatuur
Temperatuur van het verwarmingsmedium bij het intreden in de warmteopwekkermodule of warmteopwekker.
Serieschakeling
Hydraulisch in serie schakelen van de warmtegebruikermodules en warmteopwekkermodules of het hydraulisch in serie schakelen van warmtegebruikers of warmteopwekkers.
SPF
Seasonal performance factor, zie ook COP op jaarbasis.
Stooklijn
Verband tussen de buitentemperatuur en de aanvoertemperatuur.
Stookruimte
Ruimte bestemd voor het opstellen van een of meerdere stooktoestellen.
Toerenregeling
Voorziening voor het kunnen variëren van het aantal omwentelingen per tijdseenheid van een pomp of een ventilator, bijvoorbeeld om een drukverschil constant te houden.
Transmissiewarmteverlies
Algebraïsche som van warmtetransporten via de scheidingsconstructie van een vertrek.
Ventilatie
Alle lucht die aan een woning of woongebouw wordt toegevoerd door middel van bewust aangebrachte regelbare mechanische of bouwkundige voorzieningen.
Ventilatiewarmteverlies
Warmteverlies ten gevolge van infiltratie en/of ventilatie.
Verwarming
Proces van actieve warmtetoevoer ten behoeve van temperatuurregeling.
Verwarmingsmedium
Het in een centrale verwarming toegepaste warmtetransportmedium (meestal water).
Verwarmingsvermogen
Per tijdseenheid aan het verwarmingsmedium afgegeven hoeveelheid energie.
Vloerverwarming
Stralingsverwarming waarbij de warmtegebruiker bestaat uit een verwarmde vloer van het vertrek.
Vollast
Situatie waarbij door de gebruiker(s) of opwekker(s) het maximale bruto verwerkingsvermogen wordt afgenomen of opgewekt.
Vollastrendement
Rendement van een warmteopwekker bij nominale belasting.
Voordruk
Minimaal vereiste inwendige (over)druk.
Vuldruk
Minimaal vereiste inwendige (over)druk in koude toestand.
Wandverwarming
Stralingsverwarming waarbij de warmtegebruiker bestaat uit een of meer wanden van het vertrek.
Warmteafgever
Zie warmtegebruiker.
Warmtebehoefte
Bruto warmtebehoefte
De warmtebehoefte van een gebouw op jaarbasis, zonder rekening te houden
met interne- en externe warmtewinsten (behorende bij het bruto verwarmingsvermogen)
Netto warmtebehoefte
Dit is de bruto warmtebehoefte, verminderd voor interne- en externe warmtewinsten
(behorende bij het netto verwarmingsvermogen).
Warmtebron
Bron van warmte die door de warmtepomp op een bruikbaar temperatuurniveau gebracht wordt.
Warmtedistributiesysteem
Systeem waarmee de door één of meer warmteopwekkers geproduceerde warmte wordt getransporteerd naar één of meer warmtegebruikers (bijvoorbeeld een te verwarmen ruimte, tapwater, zwemwater, etc).
Warmtegebruiker
Warmtewisselaar waarmee de opgewekte en gedistribueerde warmte wordt afgestaan ten behoeve van verwarming of warm(tap)waterbereiding. Ook wel aangeduid met de term warmteafgever.
Warmteopwekkingssysteem
Het geheel van toestellen die voor de opwekking van warmte zorgen.
Warmteopwekkingsrendement
Fractie van aan een warmteopwekker toegevoerde hoeveelheid primaire energie die aan het verwarmingsmedium wordt afgegeven.
Warmtepomp
Warmteopwekker die warmte van een (onbruikbaar) laag temperatuurniveau op een (bruikbaar) hoger temperatuurniveau brengt.
Warmtepompaandeel
Het ontwerpwarmtepompvermogen, uitgedrukt als percentage van het maximaal netto verwarmingsvermogen.
Warmtepompboiler
Dit is een aparte warmtepomp die wordt ingezet voor de bereiding van warm tapwater.
Warmtepompvermogen
Het door de warmtepomp geleverde verwarmingsvermogen.
Warmtevraag
Benodigde hoeveelheid verwarmingsvermogen voor het op de ingestelde temperatuur houden van een verwarmde ruimte(n) door een centrale verwarming.
Zeer lage temperatuurverwarming (ZLTV)
Warmwaterverwarmingsinstallatie waarbij de aanvoertemperatuur niet hoger is dan 40°C.